dinsdag 10 september 2013

Hagar


Het zand hoopte zich op tot klonters in haar wimpers. Door de spleetjes van haar ogen zag ze alleen nog het geel. Het zand in de wind geselde haar gezicht. Welke kant moest ze op? Ze liep twee stappen expres met haar linkerbeen krachtig en ver voor zich uitgestoken. Iedere woestijnbewoner wist dat je langzaam in een rondje zou lopen als je dit niet deed, omdat het rechterbeen sterker was dan het linkerbeen. Dat moest ze zien te compenseren. Was het maar al nacht, dan zou ze de weg kunnen afleiden aan de hand van de sterren. Aan de andere kant liep ze dan het risico het te begeven van de kou. Daar was ze in haar simpele slavinnenkleed niet tegen bestand. Al was haar meester een welvarend man en was zij al die tijd zijn favoriete bijvrouw geweest, de eerste vrouw had niet toegestaan dat ze met nuttige en dure gewaden de woestijn in werd gestuurd. Het verraad deed haar pijn. Ze voelde zich afgedankt. Eigenlijk maakte het ook niet uit welke kant ze opging. Zolang de weg maar niet terugvoerde naar hen die ze jaren trouw gediend had en die haar nu zo onbarmhartig hadden afgedankt. Haar blik gleed over de trillende horizon. Daar zou haar toekomst liggen. In het eindeloze gele zand. Een troep zwarte vogels gleed in haar blikveld. Ze besefte waar de vogels op afvlogen en wendde haar hoofd kokhalzend weg. Het idee dat het nog warme lichaampje van haar kind nu al ontdekt was door de aaseters bracht haar bijna tot waanzin. Haar handen sloegen verkrampt naar haar bezwete nek en haar knieën knikten van uitputting. Vertwijfeld riep ze die ene naam. Niet de naam van de god die haar verlaten had, maar van haar nog levende kind dat ze uit wanhoop onder een struik verborgen had. Ismaël!

Toen verscheen er plots een fel licht voor haar ogen. Even dacht ze dat dit de aankondiging was van de dood die haar wachtte. Maar toen hoorde ze een zachte stem en ze besefte dat het een engel was die voor haar stond.
Hagar. Olieverf op canvasboard. Door Olga Brinkhorst
 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen